Griekenland is groot, met al die onderzeese valleien waaruit
eilanden geboren worden. De druif op die eilanden laaft zich zuinig aan het weinige
drinkwater dat haar te beurt valt, door dauw en minimale reserve in vulkanisch-poreuze
aderen. Ook op de verscheiden vastelandmassa levert de Griekse druif een
dagelijks gevecht. In Noord-Griekenland kan je skiën, stel je voor.

Ik wil maar zeggen, schrijven over Griekse wijnen is in de
eerste plaats: afbakenen. Volume 1 wordt een wijnreishandleiding van de
gebieden tussen 36°-38° N en 21°-26°E. Ik hoor de vraagtekens kletteren bij
deze omschrijving, maar die gebruik ik voor uw eigen bestwil (wacht maar). En
gros
liggen hierin de Cycladen (Zuid-Egeïsche Zee), Sterea
Ellada-Athene-Attika, Evia (2e grootste eiland vlakbij Athene) en de
Peloponnesos.

Waarom Griekenland dan? For once and for all:
omdat het niet bestaat, zo’n oenotoeristische gids voor Griekenland. Omdat ik mijn
dorst naar (kennis van) Griekse wijn niet kon verhinderen zich te laten infiltreren
door een verslaving aan eerlijk, natuurlijk, naakt druivensap. Omdat ik de
pretentie (naïviteit?) heb te geloven dat de Wine Lady Griekenlandreizigers een
paar wijntips kan meegeven. Zoals: ga geen wijn sippen in die idyllische
toeristische haven, zolang de obers daar geen parels voor de zwijnen serveren.